Column Walter Vroom - mei 2008

De planologie van het geluk

In 2006 verscheen het veelgeprezen boek van Alain de Botton ‘De architectuur van het geluk’. De centrale stelling van het boek is dat geloof in het belang van architectuur veronderstelt dat die invloed heeft op hoe mensen zich in een bepaalde ruimte voelen of gedragen. En met de planologie is dat natuurlijk niet anders. De enige manier om jezelf als ruimtelijk professional serieus te nemen, is dat je ervan uitgaat dat de dingen die je bedenkt en realiseert iets betekenen voor de gebruiker van die ruimte: bewoners, ondernemers, passanten.

Toch: je moet maar eens proberen met je buurvrouw hierover te praten, aan haar vragen wat zij voelt in haar buurt. Mensen zijn zich er niet van bewust en dat is vaak maar goed ook. Maar daardoor ontbreekt ook bij veel mensen de bekwaamheid om iets te vinden van hun omgeving, van de kwaliteit die wij professionals realiseren. En wij weten bijzonder veel over de inrichting van de ruimte, maar over de invloed die we daarmee op mensen uitoefenen veel te weinig. Wij zijn geen psychologen en de mensen voor wie we het doen hebben niet het bewustzijn om het ons te vertellen. Pas als er plannen komen, visies, ingrepen in het vooruitzicht zijn, komen mensen hiertegen in het geweer of niet. Maar over de wijk waarin ze wonen en waarin weinig ‘gebeurt’ weten ze niet wat de ruimte met ze doet.

Het is als een ijsje. Wij professionals geloven dat we heel goed ijsjes kunnen maken en we geloven zelfs dat we steeds lekkerdere ijsjes kunnen maken. Maar hoe zeker weten we dat, als we merken dat wij zelf veel intenser het ijsje proeven dan de ‘gemiddelde’ ijseter? Wat doe je daaraan? Er zijn twee mogelijkheden: doorgaan zoals we het doen omdat we geloven in onze eigen capaciteiten en het prima is om mensen onderbewust gelukkiger te maken. Of we kunnen proberen om mensen bewust te maken van de invloed die de omgeving op hen heeft, zodat zij zelf een betere invloed op hun omgeving kunnen hebben. Als we de tong van onze ijsco-eters nu eens intenser kunnen laten proeven, kunnen zij dan niet veel beter meepraten over wat ze wel en niet lekker vinden? Kunnen op die manier bewoners niet een veel betere bijdrage aan hun omgeving leveren?

Ik geloof in die laatste mogelijkheid. De afgelopen decennia hebben we de man op straat zo bemoederd met paternalistische ruimtelijke inrichtingsprocessen dat je je niet meer bewust bent van de invloed van de omgeving op jezelf. Laat staan van de invloed die je zelf op je omgeving kunt hebben. De openbare ruimte, en dus ook de architectuur, is van iedereen, niet het speelgoed van stedenbouwers en planologen. En natuurlijk lopen we het risico er op sommige plaatsen achter te komen dat we iets fout hebben gedaan. Natuurlijk zal dan direct naar een gemeente gewezen worden die er iets aan moet doen, dat is een nawee van 100 jaar paternalistisch plannen. Maar uit die cirkel komen we alleen als we er zelf uit durven stappen, mensen hun gevoel voor ‘mooi’ of ‘lelijk’ of ‘nuttig’ of ‘belemmerend’ teruggeven. We zijn geen kunstenaars die kunnen zeggen: “Ik maak dit omdat ik me zo voel en wat een ander ervan vindt boeit me niet”; we zijn professionals die werk doen vóór andere mensen. En dat kan alleen maar met en door andere mensen.

Walter Vroom werkt bij de gemeente Den Haag. Daarvoor was hij werkzaam bij het NIROV